14-05-07

vergane volkeren deel7:Het volk van Saba en de Arim zondvloed

Het volk van Saba en de Arim Zondvloed

 

 

Voorwaar er was voor Saba een teken in hun woonplaats, - twee tuinen aan de rechterkant en aan de linker (en er werd tegen hen gezegd) “Eet van de voorziening van jullie Heer en wees Hem dankbaar, een welvarend land en Vaak-Vergevende Heer.” Maar zij keerden zich ervan af, dus stuurden Wij aan hen een vloed die van de dam werd losgelaten en Wij veranderden hun twee tuinen in tuinen die bitter, slecht fruit voortbrachten en tamarinden en een paar lotusbomen.

(Qoer-aan Soerah Saba: 15-16)

 

De gemeenschap van Saba was één van de vier grootste beschavingen die in Zuid-Arabië hebben geleefd. Van deze beschaving wordt geschat dat die ergens rond 1000-750 voor Christus gevestigd is en zo rond 550 na Christus ineengestort is door de twee eeuwen lang durende aanvallen van de Perzen en de Arabieren.

De datum van de vestiging van de beschaving van Saba is het onderwerp van veel discussie. Het volk van Saba begon hun gouvernementele gegevens op te schrijven rond 600 voor Christus. Dit is de reden dat er van voor die datum geen verslagen van hen zijn.

De oudste bronnen die naar het volk van Saba verwijzen zijn de jaarlijkse oorlogskronieken uit die tijd van de Assyrische koning Sargon II. (722-705 voor Christus). Terwijl Sargon de mensen die belasting aan hem betalen bijhield, verwees hij ook naar de koning van Saba, Yith’I-amara (It’amara). Dit verslag is de oudste geschreven bron die informatie oplevert over de beschaving van Saba. Toch zou het niet juist zijn, om alleen op deze bron te vertrouwen en dan de conclusie te trekken dat de Saba civilisatie rond 700 voor Christus gevestigd was, want het is zeer goed mogelijk dat Saba al enige tijd bestond, voordat het in geschreven verslagen werd genoteerd. Dit betekent dat de geschiedenis van Saba ouder kan zijn dan de bovengenoemde.

In de inscripties van Arad-Nannar, één van de laatste koningen van de staat Oer, werd het woord “Saboem”, waarvan men denkt dat het “het land van Saba” betekent, gebruikt.39

Als dit woord inderdaad Saba betekent, dan toont dit aan dat de geschiedenis van Saba zover als 2500 voor Christus teruggaat.

Historische bronnen die over Saba spreken, zeggen over het algemeen dat dit een cultuur was die, zoals de Phoeniciërs, bijzonder bij handelsactiviteiten betrokken was. Overeenkomstig hiermee, waren deze mensen de eigenaren en beheerders van enkele van de handelsroutes die door Noordelijk Arabië kwamen. Om Saberische handelaren hun goederen naar de Middellandse zee en Gaza te laten vervoeren en aldus door Noordelijk Arabië gaan, moesten zij toestemming krijgen van Sargon II, de heerser van de gehele regio of een bepaald bedrag aan belasting aan hem betalen. Toen de Sabeërs belasting begonnen te betalen aan het Assyrische koninkrijk, begon hun naam opgenomen te worden in de annalen van zijn land.

De Sabeërs staan in de geschiedenis bekent als een beschaafd volk. In de inscripties van de heersers van Saba worden woorden als “herstellen”, “toewijden aan” en “opbouwen” regelmatig gebruikt. De Ma’ribdam, wat één van de belangrijkste monumenten van dit volk is, is een belangrijke aanwijzing over het technologische niveau dat dit volk had bereikt. Dit betekende evenwel niet dat de militaire kracht van de Sabeërs zwak was; het Saberische leger was één van de belangrijkste factoren die bijdroeg aan het uithoudingsvermogen van hun cultuur, voor zo’n lange periode, zonder ineen te storten.

De Saberische staat had één van de sterkste legers in de regio. Het land was in staat dankzij dit leger een uitbreidingspolitiek aan te nemen,. De Saberische staat had de landen van de Oude Qatabaanse staat veroverd. Het bezat vele landen op het Afrikaanse continent. In 24 voor Christus, tijdens een expeditie naar de Maghrib, werd het leger van Marcus Aelius Gallus, de Gouverneur van Egypte voor het Romeinse rijk, wat absoluut de sterkste staat van dat moment was, volkomen verslagen door het Sabijnse leger. Saba kan neergezet worden als een staat die een gematigde politiek volgde, maar niet aarzelde kracht te gebruiken wanneer dit nodig was. Met zijn geavanceerde cultuur en leger, was de Saberische staat absoluut één van de “grootmachten” van het gebied van die tijd.

 

Dit buitengewoon sterke leger van de Saberische staat wordt ook beschreven in de Qoer-aan. Een uiting van de commandanten van het Saberische leger doorvertelt in de Qoer-aan, toont de mate van zelfvertrouwen aan die dit leger in zichzelf had. De commandanten riepen uitdagend tegen de vrouwelijke heerser (koningin) van de staat: Zij zeiden: “Wij hebben veel kracht en grote kwaliteiten voor de oorlog, maar jij bent het die het bevel moet voeren, denk dus na wat je zult bevelen.”

(Qoer-aan Soerat an-Naml: 33)

 

De hoofdstad van de Saberische staat was Ma’rib, wat dankzij de bevoordeelde geografische ligging, behoorlijk welvarend was. De hoofdstad was erg dicht bij de rivier Adhanah. Het punt waar de rivier Jabal Balq bereikte, was uitermate geschikt voor de bouw van een dam. Gebruik makend van deze omstandigheden, bouwde de Sabeërs, toen hun beschaving voor het eerst werd gevestigd, een dam op deze plek en zij begonnen met irrigatie. Zij bereikten inderdaad een zeer hoge mate van voorspoed. De hoofdstad, Ma’rib, was één van de meest ontwikkelde steden van die tijd. De Griekse schrijver Plyni, die het gebied had bezocht en zeer hoog geprezen had, vermelde ook hoe groen deze regio was.40

De dam was 16 meter hoog, 60 meter breed en 620 meter lang. Volgens berekeningen, was het totale gebied dat geïrrigeerd kon worden 9.600 hectares waarvan 5,300 hectare bij de zuidelijke vlakte hoorde, terwijl de rest bij de noordelijke vlakte hoorde. Naar deze twee vlakten werd als “Ma’rib en twee vlakten” verwezen in de Saberische inscripties.41 De uitdrukking in de Qoer-aan, “Twee tuinen aan de linkerkant en aan de rechterkant” verwijst naar de indrukwekkende tuinen en wijngaarden in deze twee valleien. Dankzij deze dam en zijn irrigatiestelsels, verkreeg de regio roem als het best geïrrigeerde en vruchtbaarste gebied van Jemen. De Fransman J. Holevy en de Oostenrijker Glaser haalden bewijs uit geschreven documenten dat de Ma’ribdam al sinds oude tijden bestond. In documenten geschreven in het Himer dialect, wordt overgeleverd dat de dam zich zeer productief betuigde voor de regio.

De dam werd tijdens de 5e en 6e eeuw na Christus veelomvattend gerepareerd. Toch konden deze reparaties niet voorkomen dat de dam in 542 na Christus ineenstortte. De ineenstorting van deze dam resulteerde in de “overstroming van Arim” die in de Qoer-aan genoemd wordt en grote schade aanrichtte. De wijngaarden, tuinen en de gecultiveerde velden van de Sabeërs, die zij honderden jaren hadden gecultiveerd, werden volledig vernietigd. Het is ook bekend dat na de vernietiging van de dam, voor de Sabeërs al snel een periode van recessie inging. Het einde van de Saberische staat kwam aan het einde van deze periode, die begonnen was met de vernietiging van de dam.

 

 

De Zondvloed van Arim die naar de staat Saba was gestuurd

 

Wanneer we de Qoer-aan in het licht van deze bovenstaande historische data onderzoeken, observeren we dat er hier substantiële overeenkomsten zijn. Zowel archeologische vondsten als historische data bevestigen wat in de Qoer-aan is opgenomen. Zoals in het vers vermeld, werden deze mensen, die niet naar de vermaningen van hun profeet luisterden en die het geloof ondankbaar verwierpen, uiteindelijk gestraft met een vreselijke overstroming. Deze overstroming wordt in de volgende verzen uit de Qoer-aan beschreven:

 

Voorwaar er was voor Saba een teken in hun woonplaats, - twee tuinen aan de rechterkant en aan de linker (en er werd tegen hen gezegd) “Eet van de voorziening van jullie Heer en wees Hem dankbaar, een welvarend land en Vaak-Vergevende Heer.” Maar zij keerden zich ervan af, dus stuurden Wij aan hen een vloed die van de dam werd losgelaten en Wij veranderden hun twee tuinen in tuinen die bitter, slecht fruit voortbrachten en tamarinden en een paar lotusbomen. Zo zetten Wij het hun betaald omdat zij ondankbare ongelovigen waren. En nooit zetten Wij het op deze manier betaald tenzij zij ondankbaren zijn.

(Qoer-aan Soerah Saba: 15-17)

 

Zoals benadrukt in de bovenstaande verzen, leefde de Sabeërs in een gebied dat opgemerkt werd vanwege zijn voortreffelijke esthetische, vruchtbare wijngaarden en tuinen. Aan de handelsroutes gelegen, had het land Saba een vrij hoge levensstandaard en was het één van de meest begunstigde steden van die tijd.

In zo’n land, waar de levensstandaard en de omstandigheden zo positief waren, was wat de Saberische mensen hadden moeten doen, en wees Hem dankbaar…(Qoer-aan Soerah Saba: 15) zoals gezegd wordt in het vers. Toch deden zij dat niet. Zij kozen ervoor aanspraak te maken op de voorspoed die zij hadden. Zij dachten dat dit land aan henzelf toegehoorde, dat zij het waren die al deze buitengewone omstandigheden mogelijk maakten. Zij kozen ervoor arrogant in plaats van dankbaar te zijn en in de uitdrukking van dit vers, “keerden zij zich af van Allah”…

Omdat zij aanspraak maakten op alle voorspoed die zij hadden, verloren zij alles. Zoals in het vers verteld wordt, vernietigde de overstroming van Arim alles dat zij hadden. In de Qoer-aan is de straf die naar de Sabeërs gestuurd wordt, “Sayl al-Arim” genaamd wat de “overstroming van Arim” betekent. Deze uitdrukking die in de Qoer-aan gebruikt wordt verteld ons ook de manier waarop deze ramp zich voltrok. Het woord “Arim” betekent dam of barrière. De uitdrukking “Sayl al-Arim” beschrijft een overstroming die tot stand kwam met de ineenstorting van deze barrière. Islamitische commentatoren hebben de kwestie rondom de tijd en de plaats opgelost, doordat zij geleid werden door de termen die in de Qoer-aan voor de overstroming van Arim gebruikt worden. Mawdoedi schrijft in zijn commentaar:

Zoals ook in de uitdrukking “Sayl al-Arim” gebruikt wordt, is het woord “arim” afgeleid van het woord “arimen” dat in het Zuid Arabische dialect gebruikt wordt, Wat “dam of barrière” betekend. In de ruines die aan het licht gekomen zijn bij de opgravingen die in Jemen gedaan zijn, wordt dit woord, vaak in deze zin gebruikt, gezien. Bijvoorbeeld bij de inscripties die door de Habeshische koning van Jemen, Ebrehe (Abraha) verordend werden, na de restauratie van de grote Ma’ribmuur in 542 en 543 na Christus werd dit woord keer op keer gebruikt om dam (barrière) aan te duiden. Dus de uitdrukking “Sayl al-Arim” betekent ‘een overstromingsramp die zich na de vernietiging van een dam voordoet.’

 

Maar zij keerden zich ervan af, dus stuurden Wij aan hen een vloed die van de dam werd losgelaten en Wij veranderden hun twee tuinen in tuinen die bitter, slecht fruit voortbrachten en tamarinden en een paar lotusbomen.

 (Qoer-aan Soerah Saba: 16)

 

Dat wil zeggen, na de ineenstorting van de dammuur, was het hele land door de overstroming onder water gezet. De kanalen die door de Sabeërs gegraven waren en de muur die gebouwd was door barrières tussen de bergen te bouwen werden vernietigd en het irrigatiestelsel viel uiteen. Als gevolg hiervan, veranderde het gebied, dat hiervoor als een tuin was geweest in een jungle. Er was geen fruit over behalve het kersachtige fruit van kleine stompe bomen.42

De christelijke archeoloog Werner Keller, de schrijver van “Het heilige Boek had Gelijk” (Und Die Bibel Hat Doch Recht) accepteerde dat de overstroming van Arim overeenkomstig met de beschrijving in de Qoer-aan plaatsvond, en schreef dat het bestaan van zo’n dam en de vernietiging van het hele land door zijn ineenstorting bewijst, dat het voorbeeld dat in de Qoer-aan over de mensen van de tuin inderdaad gerealiseerd was.43

Na de ramp van de Arimoverstroming, begon het gebied te veranderen in een woestijn en de Sabeërs verloor zijn belangrijkste bron van inkomen met de verdwijning van hun landbouwbedrijven. Het volk, dat geen aandacht had geschonken aan de oproep van Allah om in Hem te geloven en dankbaar aan Hem te zijn, werd uiteindelijk gestraft met een ramp als deze. Na de grote vernietiging veroorzaakt door de overstroming, begonnen de mensen te desintegreren. De Sabeërs begonnen hun huizen te verlaten en emigreerden naar Noord-Arabië, Mekka en Syrië.44

Omdat de overstroming plaatsvond na de samenstelling van het Oude en het Nieuwe Testament, is deze gebeurtenis alleen in de Qoer-aan beschreven.

De stad Ma’rib, die eens een verblijfplaats van de Sabeërs was, maar nu een verlaten ruïne is, is zonder twijfel een waarschuwing voor hen die dezelfde fout maken als de Sabeërs. De Sabeërs zijn niet de enige mensen die door een overstroming werden vernietigd. In Soerat al-Kahf van de Qoer-aan wordt het verhaal van de twee eigenaren van de tuinen verteld. Eén van deze mannen bezit een zeer indrukwekkende en productieve tuin zoals die van de Sabeërs. Hij maakt echter dezelfde fout als zij, hij keert zich van Allah af. Hij denkt dat de gunst die hem is geschonken, aan zichzelf “toebehoort”, m.a.w dat hij er zelf de oorzaak van is:

 

En geef hen het voorbeeld van de twee mannen; aan één van hen hadden Wij twee tuinen met druivenstokken gegeven en Wij hadden beiden omringd met dadelpalmen; en hadden daartussen bewerkte velden geplaatst. Elk van deze twee tuinen bracht haar vruchten voort, en deed niet in het minst daarin tekort en Wij zorgden voor een rivier die tussen hen doorstroomde. En hij had bezit (of fruit) en hij zei tegen zijn metgezel tijdens een wederzijds praatje: “Ik heb meer welvaart dan jij en wordt meer door de mensen gerespecteerd.” En hij keerde terug naar zijn tuin terwijl hij in een onrechtmatige staat verkeerde. Hij zei: “Ik denk niet dat dit ooit zal verdwijnen.” En ik denk niet dat het Uur ooit zal aanbreken, en als ik inderdaad tot mijn Heer wordt teruggebracht, dan zal ik zeker iets beters dan dit vinden als ik tot Hem terugkeer.” Zijn metgezel zei tijdens het praatje tegen hem: “Ben jij ongelovig aan Hem die jou uit stof geschapen heeft, daarna uit gemengde zaaddruppels van de mannelijke en vrouwelijke afscheiding en Die je daarna als een mens gemodelleerd heeft?” “Maar in mijn geval (geloof ik) dat Hij Allah is, mijn Heer en geen zal ik met Hem verenigen als deelgenoot aan mijn Heer. Het was beter voor jouw geweest om te zeggen toen jij je tuin binnenging: “Datgene wat Allah wil (zal gebeuren)! Er is geen macht buiten Allah! Als jij mij ziet met minder welvaart en kinderen.” Het zou kunnen zijn dat mijn Heer mij iets beters geeft dan je tuin, en een bestraffing uit de hemel daarover stuurt, dan zal het modder zijn. Of het water daarvan verdwijnt diep in de aarde zodat je het nooit kan bereiken.” Dus zijn fruit was omringd. En hij bleef achter van spijt in zijn handen klappend over wat hij had uitgegeven, terwijl het latwerk was vernietigd, kon hij slechts zeggen: “Had ik maar geen deelgenoten aan mijn Heer toegeschreven.” En er was geen groep mensen die hem tegen Allah kon helpen, noch kon hij zichzelf verdedigen of redden. Daar zal de beschermende macht, het gezag en het koninkrijk voor Allah (alleen) zijn, de ware God. Hij (Allah) is het Beste als beloning en het beste voor het uiteindelijke slot.

 (Qoer-aan Soerat al-Kahf: 32-44)

 

Zoals uit deze verzen duidelijk wordt, was de fout van de tuineigenaar niet het ontkennen van het bestaan van Allah. Hij ontkent het bestaan van Allah niet, integendeel hij veronderstelt dat “zelfs hij naar zijn Heer is teruggebracht”, hij in ruil zeker iets beters zal vinden. Hij hield vol dat de staat waarin hij verkeerde, te danken was aan zijn eigen succesvolle pogingen.

Dit is in feite wat het aan Allah toeschrijven van partners betekend: trachten aanspraak te maken op alles dat aan Allah toebehoort en de vrees die men voor Allah heeft verloren denkend dat men een bepaalde genade van zichzelf heeft en dat Allah op de één of andere manier “een voorkeur zal tonen” aan iemand.

Dit is wat de Sabeërs ook deden. Hun straf was hetzelfde – hun hele territorium werd vernietigd – zodat zij zouden begrijpen dat zij niet de “eigenaren” van macht waren, maar dat het alleen aan hen was “geschonken”…

 


16:02 Gepost door Assalamu aleykum warahmatullahi wabarakatuh in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.