22-01-08

Profeet Ibrahiem(as) en Isma'iel(as)

Mekka ligt in een van de warmste en droogste streken van de wereld, de tegenwoordige Saudi Arabië. In die stad die ook wel de "Moeder van de Steden" wordt genoemd, bevindt zich de Ka`ba, Bayt'ullah al Haram (Geheiligd Huis van Allah), het hart van de Islam, die op een zwarte kubus lijkt.

De Ka`ba is door de eerste mens en de eerste profeet, Adam (as) gesticht. Het is het eerste gebedshuis dat ooit door de mensen is gebouwd. Het is door de zondvloed, die in de tijd van Nûh (as) op aarde woedde, verwoest. Ibrahiem (as) en zijn zoon Isma`il (as) hebben het op dezelfde plaats herbouwd. En vanaf die tijd was het herhaaldelijk in dezelfde vorm, plaats en afmeting hersteld.

Ka`ba was vanaf Ibrahim (as) het pelgrimsoord van de Arabieren, die Allah, de Enige Godheid, kwamen aanbidden, en tawâf (zeven rituele omgangen) om haar heen uitvoerden. Langzamerhand veranderden de mensen het geloof van Ibrahim (as). In plaats van Allah te aanbidden, vereerden zij allerlei afgodsbeelden tijdens hun Hadj (pelgrim). Daarom zou Allah Zijn laatste profeet sturen om deze afgodsbeelden te vernietigen.

In de noord-west hoek van de Ka`ba is de "Hadjar al Aswad" (Zwarte Steen). Deze steen was uit het paradijs gevallen en het werd door Djibriel (as) aan Ibrahim (as) en zijn zoon Isma`il (as) gebracht. Toen zij de Ka`ba herbouwden, hebben zij deze steen in de Ka`ba ingemetseld om het begin van de tawâf aan te geven. Oorspronkelijk was "Hadjar al Aswad" melk wit, maar door de zonden van de pelgrims, die hem hebben gekust en aangeraakt om vergiffenis te vragen aan Allah, is hij zwart geworden.

Vlakbij de Ka`ba is de waterbron Zamzam gegraven. Toen Isma`iel (as) en zijn moeder Hadjar (raha) in de woestijn waren achter gelaten door Ibrahiem (as), ontsprong uit de grond water waar nu de waterbron Zamzam ligt.

Hieronder volgt het verhaal hierover.

De eerste vrouw die een lange jurk droeg was de moeder van Isma`iel (as), de tweede vrouw van Ibrahiem (as), Hadjar (raha). Ze droeg lange jurken om haar voetsporen te verbergen van de eerste vrouw van Ibrahiem (as) Sâra (raha). Omdat Haadjar (raha) een kind had en Saara (raha) niet, was ze erg jaloers op haar.

Nadat Ibrahiem (as) getrouwd was met Haadjar (raha), werd hun kind Isma`iel (as) geboren. Ibrahiem (as) bracht haar en de zuigeling Isma`il (as) van Shaam (een stad in Syrië) naar Mekka. Hij zette Haadjar (raha) en Isma`iel (as) af op de plek waar nu Ka`bah staat, onder een grote boom net boven de waterbron Zamzam, op de hoogste plaats in Masdjied (moskee).

In die tijd woonde er niemand in Makka. Er was hier zelfs geen water. Zo heeft Ibrahiem (as), moeder en zoon hier achtergelaten. Hij liet hen een leren zak gevuld met dadels en een kruik gevuld met water achter. Daarna ging hij huiswaarts, naar Saara (raha) terug.

Isma`iel (as)s moeder volgde hem, en zei: "O, Ibrahiem (as), waar ga jij naar toe?. Laat je ons in dit eenzame vallei achter, waar noch gezelschap noch een teken van leven is?".

Hoewel ze dit meerdere malen herhaalde, keek Ibrahiem (as) niet meer naar haar om.

Tenslotte zei Haadjar (raha) : "Heeft Allah jou bevolen om ons hier achter te laten?".

Ibrahiem (as) antwoordde: "Ja, Allah heeft het mij bevolen".

Daarop zei Haadjar (raha): "Als dat zo is, dan zal Allah ons niet verwaarlozen. Hij zal ons beschermen en behoeden".

En ze keerde terug naar haar zoontje.

Ibrahiem (as) liep verder. Toen hij de Thaniyyah, een plaatst boven Makkah, bereikte, konden zijn vrouw en zijn zoon hem niet meer zien. Hij stopte en draaide zijn gezicht in de richting van de Ka`bah, hief zijn handen in de lucht en zei het volgende smeekbede (du`ah):

"O onze Rabb,ik heb enkelen van mijn nakomelingen (Isma`iel en zijn nakomelingen) in een vallei zonder gewas bij Uw Heilige Huis, Ka`bah in Makkah, laten wonen, onze Rabb, om de salaat te verrichten. Stem de harten van sommige mensen gunstig voor hen en voorzie met vruchten in hun levensbehoeften; misschien zullen zij dank betuigen" (Nederlandse betekenis van Soerati Ibrahiem (14)/37)

Isma`iel (as) moeder gaf haar zoon Isma`iel (as) de borst en ze dronk zelf water uit de kruik. Toen de kruik leeg was, kreeg Haadjar (raha) en haar zoon dorst. Haadjar (raha) keek toe hoe het kind door dorst kreunend in het zand rolde. Ze liep een eind weg omdat ze het niet langer kon verdragen om toe te zien hoe haar zoontje leed van de dorst. Ze zag dat de berg Safaa het dichtstbijzijnde berg was rondom de Ka`bah. Ze beklom de top van de berg Safaa en keek de gehele vallei rond om te zien of er iemand was die haar kon helpen. Maar ze zag niemand. Daarna daalde ze van de berg Safaa af. Toen ze de vallei bereikte, waar haar zoontje lag, tilde ze haar rok op om niet erover heen te struikelen en begon te rennen als iemand die in angst en nood verkeert. Ze stak de vallei over en beklom de top van de berg Marwa. Daar hield ze halt en ze keek weer uit naar iemand die haar kon helpen. Maar zij zag daar ook niemand. Zo liep ze zeven maal van Safaa naar Marwa.

De Profeet zei: "Dit is de reden waarom mensen, die Hadj verrichten, Sa`ay (hard lopen) tussen de bergen Safaa en Marwa".

Toen ze uiteindelijk de berg Marwa voor de zevende maal opklom, hoorde ze een stem.

Ze zei tegen zichzelf: "Stil, luister goed".

Ze luisterde nog aandachtiger. Ze hoorde de stem net als de eerste maal. Daarop zei ze: "Ik heb uw stem gehoord. Als u in staat bent ons te helpen, help ons dan".

Op dat moment zag ze een engel (Djibriel (as) op de plaats van de Zamzam bron. De engel sloeg met zijn hiel of met zijn vleugels op de grond en er kwam water uit de grond. De persoon die Haadjar (raha) hoorde was dus Djibriel (as). Om te zorgen dat het water niet alle kanten op zou gaan, maakt Haadjar (raha) een dammetje rond de bron om het water vast te houden. Terwijl ze het dammetje maakte, vulde ze ondertussen haar kruik met water en het water stroomde uit de grond.

De Profeet zei: "Moge Allah Isma`iels (as) moeder Haadjar (raha) genadig zijn. Als zij de bron Zamzam gelaten had zoals het was, dus geen dammetje eromheen had gemaakt, of als ze niet haar kruik met water had gevuld, dan zou Zamzam een vloeiend rivier geworden zijn".

Haadjar (raha) dronk van het water. Het werd melk voor Isma`iel (as).

De engel zei tegen Haadjar (raha) : "Wees niet bang dat jullie verwaarloosd zullen worden, dus jullie zullen niet omkomen van honger, dorst of iets anders. Want het plek waar je staat is de plaats van Baytullaah (Allah's Huis: Ka`bah). Dat huis zal door hem en zijn vader (Ibrahiem (as) gebouwd worden. Allah zal Zijn mensen niet verwaarlozen".

In die tijd was Ka`bah gelegen op een verhoogd stuk land, zoals een heuvel. Door overstromingen is de rechter en linker zijde van Ka`ba uitgehold.

Toen Haadjar (raha) en haar zoon onder deze omstandigheden daar verbleven, kwam een caravaan met een groep mensen van de stam Djoerhoem langs. Ze kwamen langs de weg van Kadaa en ze sloegen onder Makkah hun kampen op. Daar zagen ze een vogel heen en weer vliegen en ze zeiden: "Deze vogel moet boven een waterbron rondcirkelen. Aangezien we al vaker in deze vallei komen, weten we zeker dat er hier geen water is".

Ze stuurden één of twee mannen erop af, die de waterbron ontdekten. Ze kwamen terug om hen van het water te vertellen. Daarop vertrokken ze allemaal naar het water toe.

Isma`iels (as) moeder zat vlakbij de Zamzam bron.

Ze vroegen haar: "Mogen we onze kamp naast uw tent opslaan?".

Haadjar (raha) antwoordde: "Ja, jullie mogen ook van het water drinken, maar jullie mogen het water niet in jullie bezit nemen, het water blijft in mijn bezit".

Ze gingen daarmee akkoord.

De Profeet zei: "Isma`iels (as) moeder was blij met de gehele situatie, want ze hield van menselijk gezelschap".

Zo vestigden ze zich in Mekkah en omgeving. Ze lieten hun gezinnen en families overkomen. Ze bouwden daar huizen. Weldra ontstond in Makkah een nieuwe beschaving.

Zo nu en dan bezocht Ibrahiem (as) zijn vrouw en zoon.

Toen Isma`iel (as) zover was dat hij met zijn vader Ibrahiem (as) mee kon gaan, zei Ibrahiem (as): "Mijn zoon, ik heb in mijn slaap gezien dat Allah mij beveelt dat ik je zal moeten offeren. Zie eens wat jij ervan vindt. Isma`iel (as) was zijn enigste zoon. Hij wilde Isma`iel (as) al voorbereiden voor wat er zou gaan gebeuren. Hoewel Isma`iel (as) nog erg jong was wilde zijn vader zijn geduld en gehoorzaamheid aan Allah en aan hem beproeven.

Isma`iel (as) zei: "Mijn vader, doe wat Allah je bevolen heeft. Je zult merken dat ik, als Allah het wil, iemand ben die geduldig is. Want ik weet dat Allah mij hiervoor zal belonen.

Isma`iel (as) had inderdaad zijn belofte gehouden. Zij hadden zich beiden aan Allahs wil overgegeven.

Ibrahiem (as) had Isma`iel (as) op zijn voorhoofd had neergelegd, om niet naar zijn gezicht te hoeven kijken als hij hem zou offeren. Hij zou anders medelijden kunnen krijgen en een fout maken. Hoewel zijn mes erg scherp was wilde het toch niet in Isma`iel (as) snijden.

Daarop riep Allah hem: "O Ibrahiem, jij hebt de droom doen uitkomen. Zo beloont Allah hen die goed doen".

Dit was duidelijk een beproeving, die Ibrahiem (as) en Isma`iel (as) hadden het doorstaan. En Allah gaf hem een geweldig offer, een ram, in de plaats. En Allah liet voor hem een goede naam bij het nageslacht na. Uit het nageslacht van Isma`iel (as) is Rasoeloellah voortgekomen.

Isma`iel (as) was een flinke jonge man geworden en leerde Arabisch van de Djoerhoem stam. Hij groeide op onder hen en weldra was bij iedereen geliefd. Iedereen was verbaast over zijn nobelheid. Toen Isma`iel (as) de leeftijd bereikte om te trouwen, lieten ze Isma`iel (as) met één van hun dochters trouwen.

Na het overlijden van Isma`iel (as) moeder en zijn huwelijk, kwam Ibrahiem (as) zijn gezin, die hij daar achter gelaten had, opzoeken. Maar hij trof Isma`iel (as) niet thuis aan. Ibrahiem (as) vroeg zijn vrouw naar hem.

Zijn vrouw antwoordde: "Hij is weggegaan ons in ons levensonderhoud te voorzien".

Isma`iel (as) was misschien op jacht of handeldrijven op de markt. Vervolgens vroeg Ibrahiem (as) : "Hoe is jullie bestaan en jullie omstandigheden waarin jullie leven ?".

Ze klaagde over hun gezinsleven en zei: "We leven in armoede en ellende. En we verkeren in erbarmelijke omstandigheden".

Ibrahiem (as) zei tegen haar: "Wanneer je man thuis komt, breng dan mijn salaam over en zeg hem dat hij de drempel van zijn deur moet veranderen".

Toen Isma`iel (as) thuis kwam, bemerkte hij aan de geur in zijn huis dat zijn vader wel eens langs gekomen zou kunnen hebben, daarom vroeg hij zijn vrouw: "Is er iemand bij ons thuis geweest ?".

Ze antwoordde: "Ja, zo en zo'n oude man kwam langs en hij vroeg naar jou. Ik heb toen gezegd dat je weg was gegaan ons in ons levensonderhoud te voorzien. Hij vroeg hoe ons bestaan was. Ik zei dat wij in ellende en armoede verkeerden.

Hij vroeg: "Gaf hij nog enig advies of liet hij een boodschap voor mij achter ?".

Ze antwoordde: "Ja, hij zei mij de salaam aan jou over te brengen en je te zeggen de drempel van je deur te veranderen".

Isma`iel (as) zei aan zijn vrouw: "Die oude man was mijn vader en hij heeft mij opgedragen dat ik van jou moet scheiden. Je bent nu vrij om naar je ouders te gaan".

Isma`iel (as) scheidde van haar en trouwde een andere vrouw uit de stam van Djoerhoem.

Ibrahiem (as) bezocht zijn zoon en zijn gezin niet voor zolang als Allah het wilde. Opnieuw trof hij Isma`iel (as) niet thuis aan. Hij kwam naar zijn nieuwe vrouw en vroeg haar naar hem.

Zijn vrouw antwoordde: "Hij is weggegaan ons in ons levensonderhoud te voorzien".

Vervolgens vroeg Ibrahiem (as) : "Hoe is jullie bestaan en jullie omstandigheden waarin jullie leven ?".

Ze antwoordde: "We leven gelukkig in welvaart en harmonie. En ze prees Allah.

Hij vroeg verder: "Wat eten jullie?".

Ze antwoordde: "Vlees".

Hij zei: "Wat drinken jullie?".

Ze antwoordde: "Water".

Daarop deed Ibrahiem (as) de volgende du`ah: "O Allah, zegen hun vlees en water".

De Profeet zei: "In die tijd werd er geen graan verbouwd in Makkah. Men at alleen vrees van de jacht. Want als zij graan hadden verbouwd dan had Ibrahiem (as) ook du`ah gedaan voor het zegenen hiervan".

Het komt door de du`ah van Ibrahiem (as) dat niemand behalve de bewoners van Makkah alleen van vlees en water kunnen leven, hoewel dat niet het geval is met andere warme plaatsen.

Ibrahiem (as) zei tegen haar: "Wanneer je man thuis komt, breng dan mijn salaam over en zeg hem dat hij de drempel van zijn deur goed moet houden". En hij keerde terug naar Shaam.

Toen Isma`iel (as) thuis kwam, bemerkte hij aan de geur in zijn huis dat zijn vader wel eens langs gekomen zou kunnen hebben, daarom vroeg hij zijn vrouw: "Is er iemand geweest?".

Ze antwoordde: "Ja, een goed uitziend oude man is hier geweest". Zij prees Ibrahiem (as), en ze voegde hieraan toe: "Hij vroeg naar jou. Ik heb toen gezegd dat je weg was gegaan ons in ons levensonderhoud te voorzien. Hij vroeg hoe ons bestaan was. Ik zei dat wij gelukkig in harmonie leefden.

Hij vroeg: "Gaf hij nog enig advies of liet hij een boodschap voor mij achter ?".

Ze antwoordde: "Ja, die geëerde oude man zei mij de salaam aan jou over te brengen en je te zeggen de drempel van je deur goed te houden".

Isma`iel (as) zei aan zijn vrouw: "Die oude man was mijn vader. Jij bent de drempel van mijn deur. En hij beval mij jou goed te behandelen en goed met jou op te schieten.

Ibrahiem (as) bleef weg zolang als Allah het wilde. Toen hij na enige tijd in Makkah terug kwam zat Isma`iel (as) onder een grote boom, nabij de Zamzam bron, bezig zijn pijlen scherp te snijden. Toen hij zijn vader zag, stond hij op en liep naar hem toe. Ze begroetten, omhelsden en kusten elkander zoals een vader doet met zijn zoon of een zoon doet met zijn vader.

Ibrahiem (as) zei tegen hem: "O Isma`iel (as) , Allah heeft mij een bevel gegeven".

Isma`iel (as) zei: "Doe wat uw Rabb u heeft bevolen te doen".

Hij zei: "Maar je moet me erbij helpen?".

Isma`iel (as) zei: "Ik zal u op alle mogelijke manier helpen".

Ibrahiem (as) zei: "Allah heeft mij bevolen hier een Huis te bouwen.

En hij wees naar een heuvel die hoger was dan het land erom heen.

Toen plaatste Ibrahim (as) en Isma`iel (as) de fundering van de Qa`bah en trokken de muren op. Isma`iel (as) haalde de stenen en Ibrahiem (as) metselde. En zo werden de muren van het Huis hoger opgetrokken. Isma`iel (as) bracht de steen en plaatste deze voor Ibrahiem (as), op een plaats die nu bekend staat als Maqaam-i Ibrahiem, zodat hij hierop kon staan en kon doorgaan met het bouwen. Terwijl Isma`iel (as) hem de stenen overhandigde metselde Ibrahiem (as) . Toen het gebouw voltooid was zeiden ze het gebed, du`a: "Onze Rabb aanvaard dit van ons, want U bent de Alhorend, de Alwetend" ( Nederlandse betekenis van Soerati'l Baqarah: 2/127). Djibriel (as) leerde hen hoe ze de Hadj moesten verrichten.

Wa'l hamdulillaahi Rabbi'l `aalamien

walidin.com

 

 

07:29 Gepost door Assalamu aleykum warahmatullahi wabarakatuh in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

21-01-08

NIET betalen van de zakaat

NIET betalen van de zakaat (armenbelasting)

Allah zegt:
"En wee de afgodenaanbidders. Degenen die niet de zakaat betalen en zij zijn de ongelovigen in het hiernamaals."
(Qor’aan: 41:6-7)

Allah zegt:
Er zijn er die het goud en zilver hamsteren en het niet op de Weg van Allah uitgeven — verkondig aan hen een pijnlijke bestraffing. Op de Dag dat de Zakaat die niet betaald is in het hellevuur verhit zal worden zal het op hun voorhoofden, hun zijden en hun ruggen branden (en er zal tegen hen gezegd worden): "Dit is de schat die jullie voor jullie zelf gehamsterd hebben. Proef nu wat jullie gehamsterd hebben!" (Qor’aan 9:34-5)

De Profeet zei:
"De eigenaar van kamelen, koeien of schapen die de zakaat niet opbrengt, zal neergelegd worden (op zijn gezicht) en zal door deze kamelen, koeien en schapen vertrapt worden met hun voeten, en met hun hoorns geraakt worden. Als de laatste over hem heen is gegaan, komt de eerste terug (en doet hetzelfde nogmaals) tot alle mensen beoordeeld zijn op een dag die vijftigduizend jaar duurt (d.w.z.. een heel lange dag). Dan wordt deze man of naar de hemel of naar de hel verwezen. En iedereen die welvaart hamstert en de Zakaat niet betaalt, daarvan wordt de weelde als een kaalkoppige giftige mannelijke slang (die zich om zijn nek zal draaien en hem in zijn wangen zal bijten en zeggen: "Ik ben je weelde, ik ben je schat.")

En Aboe Bakr bevocht die (vluchtelingen) die na de dood van de Profeet de zakaat niet meer opbrachten.
En Aboe Bakr zei: "Bij Allah! Als zij weigeren mij zelfs maar een jonge vrouwelijke geit te betalen die zij gewoonlijk aan de Boodschapper betaalden, dan zal ik hen bevechten omdat zij haar niet gegeven hebben."

Allah zegt:
"En laat niet degenen die begerig achterhouden wat Allah hen van Zijn Overvloed heeft gegeven denken, dat dit goed voor hen is. Nee het zal erger voor hen zijn. De dingen die zij begerig achterhouden zullen aan hun nekken vastgebonden worden als een ketting op de Dag der Opstanding. En aan Allah behoort de erfenis van de hemelen en de aarde, en Allah is zich Welbewust van alles wat jullie doen." (Qor ‘aan 3:180)

De Profeet zei over iemand die zijn zakaat niet betaalt:
"Iedereen die het (de zakaat) niet betaalt, daarvan nemen wij het en de helft van zijn kamelen (als zijn welvaart in de kamelen ligt). Dit is een uitspraak (door Allah verordend)." (Aboe Dawoed)

Yahya Ibn Aboe Kathier zei: "Amir al-’Oeqaili vertelde mij dat zijn vader Aboe Hoerairah heeft horen zeggen:
"De Profeet zei: "De eerste drie (personen) die de hel zullen betreden zijn: een tirannieke prins (of koning), iemand die welvaart bezit maar de zakaat niet betaalt en een arrogante arme."

Shariek en anderen zeiden dat Aboe Ishaq zei dat Abi al-Ahwas vertelde dat ‘Abdoellah zei:
"Jullie (moslims) zijn de (vijf) gebeden opgelegd en het betalen van de zakaat. Van iemand die de zakaat niet betaalt, wordt de salaat niet geaccepteerd.

walidin.com

15:14 Gepost door Assalamu aleykum warahmatullahi wabarakatuh in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

20-01-08

Abdoellah Ibn Hoedhafah

Assalamoe aleikoem wa rahmatoellahi wa barakatoeh moslim broeders en zusters

De geschiedenis zou deze man hebben gepasseerd zoals het duizenden arabieren voor hem heeft gepasseerd. Hij, net als zij, had nooit behoefte aan aandacht of faam. De grootheid van de Islam, hoe dan ook, heeft daar verandering aan gebracht en gaf Abdoellah Ibn Hoedhafah de mogelijkheid om de twee grootste keizers van zijn tijd te ontmoeten, namelijk Khusraw Parves, keizer van Perzië en Hercules, keizer van het Byzantijnse rijk.
Het verhaal van zijn ontmoeting met keizer Khusraw Parves begon in het zesde jaar van de Hidjrah, toen de profeet(vzmh) besloot om een aantal van zijn metgezellen met brieven te sturen naar vorsten buiten het Arabische schiereiland om ze tot de Islam te bekeren.

De profeet(vzmh) hechte heel veel belang aan dit initiatief. De gezanten moesten naar verre landen reizen waarmee men geen pacten en geen overeenkomsten had. Ze wisten de talen niet te spreken van deze landen en ze wisten niets over de aard van de vorsten. Ze moesten deze grote vorsten zien te bekeren tot de islam en dat betekende afstand doen van hun macht en glorie en de religie aanhangen van volkeren die onlangs bijna aan hen onderworpen waren en die qua beschaving ver achter lagen. Al met al het was een zeer gevaarlijke missie een "Mission Impossible"

Om zijn plan kenbaar te maken, riep de profeet(vzmh) zijn metgezellen bijeen en sprak tot ze. Hij begon met het prijzen van Allah en zijn dank. Daarna sprak hij de Shahada(geloofsguitenis) uit en zei:
" Ik wil een aantal van jullie zenden naar buitenlandse vorsten, maar discussieer niet met me zoals de Israelieten dat deden met Jezus, de zoon van Maria."
"O profeet van Allah, we zullen alles dragen wat u maar wenst," antwoordden zij, "Stuur ons daar waar u wilt."

De profeet(vzmh) benoemde zes van zijn metgezellen om zijn brieven te dragen naar Arabische en buitenlandse vorsten. Een van hen was Abdoellah Ibn Hoedhafah. Hij werd gekozen om de brief van de profeet(vzmh) te dragen naar Khusraw Parves, de keizer van Perzië.

Abdoellah Ibn Hoedhafah maakte zijn kameel klaar voor de reis en zei vaarwel tegen zijn vrouw en zoon. Hij vertrok, alleen, en doorkruisde bergen en valleien tot hij eindelijk het land der Perzen heeft bereikt.

Hij zocht toestemming om de keizers paleis binnen te treden en hem persoonlijk de brief te overhandigen dus informeerde hij bij de koninklijke garde. Toen keizer Khusraw Parves dat hoorde gaf hij bevel om de toeschouwerszaal klaar te maken en riep zijn prominente raadgevers bijeen. Toen iedereen aanwezig was gaf hij toestemming aan Abdoellah Ibn Hoedhafah om binnen te komen.

Abdoellah Ibn Hoedhafah kwam binnen en zag de Perzische vorst in al zijn pracht en praal gekleed in een glanzende gewaad met daarboven een nette tulband. Op Abdoellah was alleen de simpele kledij van een bedoein te zien. Zijn hoofd was hoog geheven en zijn voeten waren stevig op de grond. De eer van de Islam brandde in zijn borst en de kracht van zijn geloof klopte in zijn hart.

Zodra Khusraw Parves hem zag naderen seinde hij een van zijn bewakers om de brief van zijn hand te nemen.
" Neen, zei Abdoellah " De profeet beval mij om deze brief aan u persoonlijk te overhandigen en ik zal niet tegen het bevel van Allah’s boodschapper in gaan."
"Laat hem dicht bij mij komen," zei Khusraw tegen zijn bewakers en Abdoellah kwam naar voren en overhandigde de brief aan hem. Khusraw riep daarna een Arabische klerk en beval hem om de inhoud van de brief te vertalen. Hij begon te lezen: "In de naam van Allah, de Barmhartige de Erbarmere. Van Mohammed de boodschapper van Allah aan Khusraw de vorst van Perzië. Vrede aan degene die leiding volgt….."

Khusraw hoorde alleen tot zo ver en een vuur van woede barste binnen hem los. Zijn gezicht werd rood en begon rond zijn nek te transpireren. Hij rukte de brief van de klerk af en begon het in stukken te verscheuren zonder te weten wat er verder in stond en schreeuwde: " Durft hij om mij op zo’n manier te schrijven, hij die mijn slaafje is?" Hij was woedend dat de profeet(vzmh) geen aanhef voor hem had in zijn brief. Hij gaf het bevel om Abdoellah van zijn bijeenkomst te verwijderen.

Abdoellah werd meegenomen niet wetend wat er met hem zou gebeuren. Zou hij vermoord worden of vrij worden gelaten? Maar hij wilde niet wachten om daar achter te komen. Hij zei: " Bij Allah, het maakt me niks uit wat er met mij gebeurd na dat de brief van de profeet zo onteerd is." Hij slaagde erin om bij zijn kameel te komen en reed weg.
Terug in Medina vertelde Abdoellah de profeet(vzmh) hoe Khusraw de brief heeft kapot gescheurd en het antwoord van de profeet(vzmh) was: "Moge Allah zijn rijk aan stukken scheuren".

En inderdaad een paar dagen later had de zoon van Khusraw een coupe gepleegd en zijn vader vermoord en al zijn rijkdom en grond overgenomen.

Dat was het verhaal van Abdoellah Ibn Hudhafah’s ontmoeting met de Perzische keizer. Zijn ontmoeting met de Byzantijnse keizer vond plaats tijdens de khalifaat (regerings periode) van Omar Ibn Elkhattaab(ra). Dat is een verbazingwekkend verhaal.

In het negentiende jaar na de Hidjra, Omar(ra) stuurde een leger om te vechten tegen de Byzantijnen. In dat leger was inderdaad Abdoellah. Het nieuws over het Islamitische leger reikte de Byzantijnse keizer. Hij had al gehoord over hun oprechtheid in hun geloof en hun bereidheid om hun leven op te offeren voor hun god en hun profeet. Hij gaf een bevel aan zijn mannen om hem een moslim levend te brengen.
En Allah(swt) wilde dat deze moslim Abdoellah was die als gevangene in de handen van de Byzantijnen viel en gebracht werd naar de keizer. De keizer keek Abdoellah aan voor een lang tijdje en zei op eens: " Ik zal je een voorstel doen." "Wat is je voorstel?" vroeg Abdoellah . " Ik stel voor dat jij een Christen wordt. Als jij dat doet dan zul je vrijgelaten worden en ik zal je persoonlijk asiel verlenen."

Het antwoord van de gevangene was furieus: "De dood is mij duizend malen liever dan wat jij van mij vraagt!"
"Ik zie dat je een stoutmoedige man bent. Hoe dan ook, als jij positief gehoor geeft aan wat ik je voorstel, dan zal ik je een deel van mijn autoriteit geven en jou beëdigen als mijn raadgever."
De gevangene, vastgeboeid aan zijn kettingen, glimlachte en zei: "Bij Allah, als jij mij alles geeft wat jij bezit en wat de Arabieren bezitten in ruil voor het opgeven van de religie van Mohammed, zal ik dat niet doen."
" Dan ga ik je doden."
"Doe wat je wil," antwoorde Abdoellah .

De Keizer liet hem kruisigen en gaf bevel aan zijn soldaten om speren op hem te werpen. Eerst naast zijn handen en daarna naast zijn voeten, terwijl ze hem iedere keer zeggen om zich tot het Christendom te bekeren of op zijn minst de islam op te geven. Dat bleef hij keer op keer weigeren.
De keizer liet hem daarna naar beneden halen van het kruis. Hij vroeg voor een grote pot die gevuld moest worden met olie en hevig verhit moest worden. Daarna liet hij een andere moslim gevangene halen en liet deze vervolgens in de gloeiende olie vallen. Abdoellah keek toe hoe zijn broeders vlees siste en knetterde en dat zijn botten gauw te zien waren. De keizer draaide om naar Abdoellah en vroeg hem zich te bekeren.

Dit was de meest vreselijke test dat Abdoellah ooit moest meemaken tot nu toe. Maar hij bleef vastbesloten en de keizer werd wanhopig en gaf bevel om hem in de olie te werpen. Terwijl de soldaten hem meenamen begonnen tranen uit Abdoellah’s te vloeien. De keizer dacht dat Abdoellah eindelijk gebroken was en riep hem terug en vroeg hem nogmaals Christen te worden, maar tot zijn grote verbazing weigerde Abdoellah .
"Verdomme! Waarom huilde jij dan?" schreeuwde de keizer Hercules.
"Ik huilde," zei Abdoellah , "Omdat ik tegen mezelf zei ‘Je zult gegooid worden in deze pot met olie en je ziel zal stijgen’ Wat ik werkelijk wilde is dat ik netzo veel zielen had als de haren op mijn lichaam en dat al deze zielen een voor een in deze pot werden gegooid omwille van Allah."
De tiran zei toen: "Zou je dan mijn voorhoofd kussen? Ik zal je dan vrijlaten!"
"En al mijn andere moslim broeders?" vroeg Abdoellah .
De keizer stemde toe en Abdoellah zei tegen zichzelf, "Een van de vijanden van Allah moet ik op het voorhoofd kussen en al mijn moslim broeders zullen vrijgelaten worden. Hierop kan ik niet verweten worden." Hij kuste het voorhoofd van de keizer en alle moslim gevangene werden aan hem overhandigd.

Abdoellah Ibn Hoedhafa kwam eindelijk bij Omar Ibn Elkhattaab en vertelde hem wat gebeurde. Omar was erg blij en geëmotioneerd toen hij naar de gevangenen keek en zei: "Iedere moslim heeft het plicht om het voorhoofd van Abdoellah te kussen en ik zal beginnen."
Omar stond op en kuste het voorhoofd van Abdoellah Ibn Hoedhafah

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

17:20 Gepost door Assalamu aleykum warahmatullahi wabarakatuh in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

19-01-08

Karoen en zijn rijkdom

Karoen behoorde tot het volk van Moesa (as). Hij was de zoon van Musa (as)'s oom. En hij gedroeg zich schandalig tegenover Musa (as) en zijn volk.
Allah had hem zoveel schatten gegeven dat de sleutels van de schatkisten met moeite door een groep sterke mannen gedragen konden worden. Allah gaf Karoen die rijkdommen om hem hier op aarde te beproeven.

Door zijn rijkdom luisterde Karoen niet naar Allah en Musa (as). Moslims probeerden hem naar het juiste weg (de Islam) te brengen. Daarom zei een groep goede moslims onder zijn volk aan Karoen: Ga niet zo uitbundig met je rijkdom toejuichen. Ga niet zo met je rijkdom opscheppen. Wees Allah dankbaar voor wat Hij jou gegeven heeft. Allah houdt niet van hen die uitbundig toejuichen met hun rijkdom. Allah houdt niet van mensen die opscheppen met hun rijkdom. Allah houdt niet van mensen die ondankbaar zijn aan Allah. En probeer met wat Allah jou gegeven heeft de Woning van het Hiernamaals (Djannah) te krijgen. Geef je rijkdom aan liefdadigheid, armen, behoeftigen en verricht goede werken (iemaan, salaat, zakaat, sawm, hadj ...), zodat je dichter bij Allah kunt komen. Je hebt immers alles van Allah gekregen en je moet het ook op weg van Allah uitgeven. Als je dat doet dan zal Allah je in het Hiernamaals (Akhirah) belonen met Zijn Aangezicht en het Paradijs (Djannah).

Vergeet je aandeel hier op deze wereld niet. Vergeet niet de noodzakelijke behoeften, zoals eten, drinken, kleden, werken, wonen, in dit leven. Mensen die veel aan hun rijkdommen denken worden mislukkelingen. Want ze worden egoïstisch en gierig. Ze denken alleen aan hun zelf en niet aan armen. Ze vergeten dat alles wat ze bezitten eigenlijk van Allah is. Ze geven hun geld niet op weg van Allah maar op weg van de schaytaan: ze worden gierig, ze betalen hun zakaat niet, ze geven geen Sadaqa aan de armen, ze leven een lux leven, ze drinken alcohol, ze scheppen op met hun bezittingen, ze verspillen hun geld....

Karoen was zo'n mislukkeling. Hij gaf zijn geld uit op weg van de schaytaan en niet op weg van Allah. Vandaar dat de moslims hem probeerden te overtuigen van zijn fouten.

We moeten niet vergeten dat Allah recht op je zelf heeft: geloof in Allah en alles wat Allah aan ons gegeven heeft door Zijn Profeten, aanbid geen ander godheid dan Allah en zeg niet dat buiten Allah andere godheden zijn. Je eigen lichaam heeft recht op jou: doe geen dingen die Allah jou verboden heeft maar doe wat Allah jou geboden heeft. Dus doe geen haraam dingen maar halaal dingen. Je gezin heeft recht op jou: bescherm, voed en kleed hen. Andere mensen hebben recht op jou.

De moslims zeiden aan Karoen: Doe goed aan alles wat Allah geschapen heeft, zoals Allah aan jou goed heeft gedaan en streef niet naar verderf op de aarde. Ga geen oorlog maken, ga niet stelen, ga niet liegen, ga niet schelden, ga niet bedelen, ga niet vechten, ga geen haraam dingen eten en drinken, ga de natuur die Allah heeft geschapen niet verpesten, want Allah houdt niet van de verderf zaaiers niet.

Toen Karoen dit hoorde, was hij zo blind en arrogant dat hij zei: Al die rijkdommen heb ik verdiend door mijn kennis, vaardigheid, hard werk en slimheid. Allah heeft mij dit alles gegeven omdat ik het echt verdiend heb en omdat Allah van mij houdt. Waarom zou ik dan iets ervan aan de armen en behoeftigen geven?. Want alleen ik heb recht op al mijn rijkdommen, en niemand anders.

Het duurde niet lang of Allah nam hem onder handen. Wist Karoen dan niet dat Allah voor zijn tijd generaties van mensen heeft vernietigd door hun ongeloof, opschepperij, arrogantie, gierigheid en ondankbaarheid, die sterker waren dan Karoen en die meer rijkdom bijeengebracht hadden?. Maar de boosdoeners worden niet langdurig over hun zonden ondervraagd, omdat ze heel veel zondes hebben.

Karoen bleef opscheppen en ondankbaar en ongehoorzaam. Op een dag kwam Karoen en zijn bedienden in pracht en praal naar buiten, naar hun volk. Zij die net als Karoen van het leven hier op aarde hielden en al het aardse pracht en praal wensten zeiden: Ach hadden wij toch hetzelfde rijkdom als wat Allah aan Karoen gegeven heeft. Hij is wel iemand met geweldig veel bezit. Zij waren jaloers op de rijkdom van Karoen.

Maar de goede moslims aan wie kennis in de Islam gegeven was zeiden: Wee jullie, Allahs beloning in Djannah is beter voor wie gelooft in de Islam en goede daden verricht, dan al die pracht en praal. En Allah geeft deze beloning aan hen die geduldig zijn, en niet veel aan de pracht en praal van deze wereld geven.

Allah gaf Karoen genoeg tijd om berouw te tonen en terug te keren naar de Islam. Maar het was te vergeefs. Uiteindelijk liet Allah de aarde met hem en zijn huis wegzinken en er was niemand die hem tegen Allah kon helpen. Hij kon zichzelf niet eens beschermen. Noch zijn rijkdommen, noch zijn familie, noch zijn vrienden, noch zijn bedienden en noch zijn trots kon hem redden van de ondergang en de dood.

En zij die de vorige dag nog in plaats van Karoen gewenst hadden zeiden 's morgens: O wee, Allah voorziet ruimschoots in het levensonderhoud van wie van Zijn dienaren Hij wil en Hij vermindert in levensonderhoud van wie van Zijn dienaren Hij wil. Als Allah ons niet een gunst had bewezen, dan had Hij ons net als Karoen laten wegzinken. Want wij wilden hetzelfde worden als Karoen. O wee, het gaat de ongelovigen niet voorspoedig.

Voor mensen die iemaan doen in Allah en in alles wat Allah aan Zijn profeten heeft gegeven, gehoorzaam en dankbaar zijn aan Allah, geduldig zijn, niet opscheppen, niet onrecht doen... is er een beloning van Allah: Dat is de Woning voor het Hiernamaals. Wij geven het Paradijs aan hen die niet op aarde opschepperig rondlopen en geen verdorvenheid op aarde zaaien. En het (goede) uiteinde komt de godvrezenden toe. Voor hen die met een goede daad komt is er iets beters dan dat. Voor hem die met een slechte daad komt.. aan hen die slechte daden begaan hebben wordt slechts vergolden wat zij gedaan hebben.

Wa'l hamdulillaahi Rabbi'l `aalamien

18:13 Gepost door Assalamu aleykum warahmatullahi wabarakatuh in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

18-01-08

Ya Allah

Allah... U bent de Schenker van mijn leven, U heeft mij zoveel moois gegeven, U bent het Licht waar ik mij toe wend, U bent de Kracht die mij beschermt,

Allah...
U schenkt ons de plaats waar ik mij nu bevindt,
U bent mijn gevoel, zonder U volg ik Shaytaan blind,
U bent de Gids die mij leidt,
U bent mijn Alles..waar U ook zijt,

Allah...
U bent de Bron van Vrede die mijn zorgen wegneemt,
U bent Degene die zorgt dat het geluk in mijn leven toeneemt,
U bent de Goedheid die mij steunt,
U bent Degene waar iedereen graag op leunt.


Allah...

U bent de Trooster van mijn verdriet,
U bent de Veger van mijn tranen die ik vergiet,
U bent de Arm om mij heen,
U bent de Zachtheid die ik voel, zoals U is er geen!

Allah...
U bent de Redder die mij bevrijdt,
U bent Al-Qoddoes, de ultieme Heiligheid.
U bent de Schenker van grootheid en glorie,
U bent mijn Bron van inspirate,


Allah...

U bent de Schenker van onderhoud,
U bent Degene die al mijn goede daden in stand houdt,
U bent de Schenker van eer,
U bent mijn Heilige Heer,

Allah...
U bent de Verhoorder van mijn gebeden,
U bent de Schenker van vergiffenis in Al-Achira en in het heden,
U bent de Beschermer van mijn geloof,
Ik zal U beter volgen, dat is wat ik U beloof!


Ya Allah, U bent mijn alles!


16:24 Gepost door Assalamu aleykum warahmatullahi wabarakatuh in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

17-01-08

Hij is echt Goed,SubhaanAllah;Shaykh khalid yasin vs one of the audience

http://www.youtube.com/watch?v=rMQ6r0B3vMA&feature=re...

18:13 Gepost door Assalamu aleykum warahmatullahi wabarakatuh in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Abdoellah ibn Abbaas :"De jonge volwassene."

Abdoellah was de zoon van Abbaas, een oom van de nobele profeet(vzmh). Hij was drie jaar voor de Hijrah geboren. Toen de profeet(vzmh) overleed was hij dus dertien jaar oud.

Toen hij geboren werd,had zijn moeder hem naar de profeet(vzmh) gebracht die toen een beetje van zijn speeksel op de baby's tong had gedaan al voor dat de baby een zuigeling werd. Dat was het begin van een ware vriendschap tussen de twee en een levenslange liefde en toewijding.
Toen Abdoellah de leeftijd van verstandigheid bereikte,(wat overigens opmerkelijk vroeg was) hechte hij zichzelf aan het bedienen van de profeet(vzmh). Hij rende om water voor hem(vzmh) te halen wanneer de profeet (vzmh) zijn rituele wassing voor het gebed wilde verrichten. Tijdens het gebed stond hij vlak achter de profeet(vzmh) en wanneer de profeet(vzmh) ging reizen vergezelde hij hem altijd. Abdoellah werd dus een soort schaduw van de profeet(vzmh); altijd in zijn gezelschap.
In al deze situaties was hij erg aandachtig en alert naar alles wat door de profeet(vzmh) gezegd werd of gedaan. Zijn hart was enthousiast en zijn jonge verstand was puur en rein, hij registreerde de woorden van de profeet(vzmh) met een ongekende capaciteit en met de nauwkeurigheid van een taperecorder. Op deze wijze werd Abdoellah zoals wij hem later zullen kennen als een van de meest geleerde en gerespecteerde metgezellen van de profeet(vzmh). Een metgezel die de moslimnatie van 660 overleveringen van de profeet(vzmh) voorzag die opgenomen werden en geauthentiseerd in de collecties van Boekhari en Moslim.

De profeet(vzmh) had hem zo lief dat hij hem altijd naar zich toe trok en hem vaderlijk op zijn schouders klopte en zei: " O Allah geef hem kennis en wijsheid van de islam en laat hem zich verdiepen in de mening en interpretaties van geloofskwesties



Abdoellah vertelt: Een keer wilde de profeet(vzmh) woedoe(rituele wassing) verrichten en zoals gewoonlijk haastte ik me om zo snel mogelijk water voor hem(vzmh) te halen. De profeet(vzmh) was erg blij en bij het begin van de salat(gebed) wees hij naar mij dat ik naast hem moest staan bij tijdens het bidden. Echter bleef gedurende het gebed achter hem(vzmh) bidden en toen het gebed eindigde vroeg de profeet(vzmh) mij:" Wat hield jou tegen om niet naast mij te bidden , O Abdoellah?" U bent gewoon te voorbeeldig en te geweldig in mijn ogen om zij aan zij met u gelijk te staan." Antwoordde ik.
Toen hief de profeet(vzmh) zijn handen naar de hemel en zei:"O Allah, garandeer hem wijsheid" En inderdaad werden de gebeden van de profeet(vzmh) verhoord en Abdoellah bezat wijsheid die ver boven zijn leeftijd was, maar het was wijsheid dat ook verkregen werd door pure toewijding aan het vergaren van kennis tijdens en na het leven van de profeet(vzmh).

Tijdens het leven van profeet(vzmh), miste Abdoellah geen een bijeenkomst en hij onthield alles wat de profeet(vzmh) meteen. Na het overlijden van de profeet(vzmh) bezocht hij zoveel mogelijk metgezellen die langer met de profeet(vzmh) waren, om van ze te leren. Als hij vernam dat iemand een hadeeth(overlevering) van de profeet(vzmh) kende die hij nog niet kende, ging hij meteen naar hem toe om die hadeeth noteren. Hij ging zelfs naar dertig verschillende metgezellen om een zaak te verduidelijken.
Abdoellah beschreef wat hij een keer deed toen hij hoorde dat een metgezel een hadeeth kende die hij niet heeft gehoord: "Ik ging naar hem toe en wachtte voor zijn deur uren lang tot de wind stof op mijn hoofd blies en toen de metgezel eindelijk kwam zei hij: "O neef van de profeet(vzmh) heeft u zolang op mij moeten wachten?als u iemand zond naar mij dan was ik meteen gekomen." Ik zei toen: "Ik ben degene die jou moet opzoeken omdat kennis gezocht moet worden en kennis komt niet vanzelf naar je toe." Ik vroeg hem uiteindelijk om de hadeeth en leerde hem meteen.

Het was niet alleen het verzamelen van de ahadeeth wat Abdoellah bezighield. Hij wijdde zichzelf toe aan het vergaren van kennis in allerlei gebieden. Hij bewonderde in het speciaal personen als Zayd ibn Thabit, de notulist van de Koran en de hoofd rechter van Medinah die ook een deskundige was in erfeniswetten en reciteren van de Koran. Als Zayd op reis ging, hield Abdoellah de teugels van zijn kameel en liep voor hem net als een dienaar die zijn meester wil behagen Zayd zei dan tegen hem: "Laat dat toch, O neef van de profeet(vzmh)."
Zo zijn wij bevolen om onze geleerden te behandelen," antwoordde Abdoellah. "laat me je handen zien", zei Zayd. Abdoellah strekte zijn handen en Zayd nam zijn handen en kuste die liefdevol en zei: "En zo zijn wij bevolen om met Ahl al-Bayt (leden van het huis des profeets) om te gaan."
Terwijl Abdoellah's kennis groeide, groeide ook zijn status. Masrug ibn Ajda zei het volgende over hem: "Telkens wanneer ik Abdoellah zag, zou ik zeggen: "Hij is de meest knappe man onder ons". Telkens wanneer hij praatte zou ik zeggen: "Hij is de meest welsprekende man onder ons. Telkens wanneer hij een debat hield, zou ik zeggen: "Hij is de meest geleerde man onder ons."
De kalifa Omar ibn al-Khattaab zocht vaak zijn raad bij belangrijke zaken die de hele natie aangingen en beschreef hem vaak als :"De jonge volwassene."
Sad ibn abi Waqqas beschreef hem met deze woorden: "Ik heb nooit iemand gezien die sneller van begrip was en die meer kennis en wijsheid bezat dan Abdoellah ibn Abbaas. Ik zag Omar zijn raad nemen over problematische zaken tijdens de aanwezigheid van veteranen van Badr waaronder Muhadjirien en Ansar zaten. Abdoellah zou dan praten en Omar zou geen woord tegen spreken."
Al deze kwaliteiten resulteerden in feit dat Abdoellah werd benoemd als "De geleerde van de Oemmah (natie)"

Abdoellah ibn Abbaas was niet tevreden met het bezitten van kennis alleen maar hij voelde zich verplicht om zijn kennis te delen met zij broeders en zusters. Het gevolg was dat zijn huis veranderde in een universiteit. Inderdaad een universiteit in de volle betekenis van het woord met een speciale eigenschap want zijn universiteit kende maar een leraar genaamd Abdoellah ibn Abbaas.
Er was een enthousiaste publiek voor de universiteit van Abdoellah. Een van zijn metgezellen vertelt: "Ik zag mensen voordringen op de wegen die leiden naar het huis van Abdoellah ibn Abbaas tot er helemaal geen plaats meer was binnen zijn huis of zijn plein. Ik ging naar Abdoellah en vertelde hem over de drukte en hij vroeg mij om eerst water voor hem te halen voor woedoe. Hij verrichte woedoe en zat en zei: "ga en zeg tegen ze: "Wie van jullie vragen heeft over tadjwied(articulatie van de Koran) kan binnen komen."
Ik riep ze en het huis liep vol. Hij beantwoordde de vragen met helderheid en bewijzen en gaf zelfs meer informatie dan de mensen vroegen en toen ie klaar was moest ik degenen roepen die vragen hadden over betekenissen en interpretaties van de koran. En weer werd het huis gevuld. Mensen bleven binnen komen vragen over Fiqh , sharia, erfenis, Arabische taal, dichtkunst en etymologie(oorsprong van woorden en gezegden). Abdoellah werd niet moe en bleef enthousiast in het ontvangen van mensen."
Op een gegeven moment kwam Abdoellah tijd tekort en ging hij dagen specialiseren voor een aantal exclusieve onderwerpen en werden de dagen van de week gekenmerkt met zijn lezingen.

Abdoellah had een sterk geheugen en een formidabel intellect. Zijn uitleg was met precisie , helderheid en logisch. Zijn argumenten waren overtuigend en ondersteunt met pertinente bewijzen uit de koran, hadeeth en historische feiten.

Hij zei een keer: "Wanneer ik het belang van een bepaalde vers uit de koran realiseer en achterhaal dan wens ik dat alle mensen wisten wat ik te weten ben gekomen."

"Wanneer ik hoor dat een islamitische vorst gelijkwaardig handelt en rechtvaardig regeert dan ben ik blij voor hem en bid ik voor hem.

"Wanneer ik hoor dat ergens op de landen der moslims regen is gevallen, vult dat zelfde regenval mijn hart met geluk en blijheid."

Abdoellah ibn Abbaas was consequent in zijn toewijding. Hij vaste vaak vrijwillig en bad vaak lange nachten. Hij huilde wanneer hij koran las. Wanneer hij verzen reciteerde die met de dood, wederopstanding en straf te maken hadden huilde en snikte hij zo hard dat zijn stem zwaar werd en wegvaagde.
Hij was eenenzeventig jaar toen hij overleed in de rotsachtige stad van Taaif.

11:33 Gepost door Assalamu aleykum warahmatullahi wabarakatuh in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |